• Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
stukje Vergeetman
zondag 22 januari 2012 12:23
Biko en Jabba

Negen jaar geleden had Jabba een baby gevonden in een ziekenhuis. Jabba werkte er als schoonmaker. Ooit was hij stiekem uit Afrika naar ons land gekomen. Hij vluchtte voor honger, oorlog en ziektes. Hij had een garage om in te wonen en een baantje als schoonmaker om geld mee te verdienen. Het jongetje uit het ziekenhuis noemde hij Biko. Dat betekent geluksvogel in de taal van Jabba’s land.
Biko was een bijzonder kind. Het bijzonderste aan hem was dat niemand ooit op hem lette. Biko kon zó stil zijn dat hij onzichtbaar werd. Geluiden nadoen kon Biko ook geweldig, van politiesirenes tot de stem van een nieuwslezer. Jabba had rijk en beroemd kunnen worden met zo’n bijzonder kind. Dat wilde hij niet. Biko moest opgroeien als een gewoon jongetje. Biko ging dus naar de kinderopvang en vond een vriendinnetje: Loekie. Samen met haar ging hij naar de Echte School. Allemaal heel gewoon, al klaagde de juf dat Biko zo er zo vaak niet was. Hij zat wel braaf in de klas, maar juf zag hem gewoon niet.
Ook bijzonder: in het ziekenhuis vond Biko een oma, een oud dametje dat al heel lang op een zaal lag en nooit bezoek kreeg. Oma vond het zielig dat Biko en Jabba een garage als huis hadden. Ze mochten in haar huis. Dan konden ze voor haar zorgen als ze eindelijk beter genoeg was om het ziekenhuis uit te kunnen.
Zo kregen Biko en Jabba een huis en dat was een enorm geluk.
Biko en Jabba woonden nu al twee jaar bij oma in huis. Oma was eindelijk beter en ze hadden het erg gezellig met z’n drietjes.
Maar geluk is net een bos bloemen in een vaas. Je kunt hem water geven, je kunt verdorde blaadjes eruit plukken, tot op een dag de bloemen verlept zijn. Dan is het afgelopen. Niets aan te doen.

In een ziekenhuis werken veel schoonmakers. Zieken-huizen moeten tenslotte schoon zijn. Schoonmaken is hard werk. Bijna niemand denkt daar over na. Mensen vinden het gewoon dat een ziekenhuis schoon is. Ze gaan pas klagen als er niet meer wordt gepoetst en gedweild.
Jabba werkte goed en hard. Beter en harder dan alle andere schoonmakers in het ziekenhuis. Hij maakte schoon zonder dat het de zieke mensen opviel. Ze zagen de schoonmaker met zijn emmer nooit en dat viel wél op. Ze klaagden erover, eerst met elkaar. ‘Weet je dat je hier nooit een schoonmaker ziet? Op de verdieping beneden zijn er wel drie met radio’s bij zich! Hier komt nooit iemand.’ En dan knikten ze.
En omdat zieke mensen zich vaak suf vervelen, waren ze blij dat er lekker iets te klagen viel. Ze begonnen er ook over tegen de bezoekers. Het bezoek klaagde weer tegen de zusters en die vertelden het aan elkaar door. De zusters wisten dat er op elke afdeling een schoonmaker hoorde. En nu ze het er over hadden… het was altijd brandschoon op de afdeling, dat wel, maar toch… Ze gingen naar het Hoofd Schoonmaak en vroegen hoe dat toch zat met die eh… hoe heette hij nou… eh Jabba.
Het Hoofd Schoonmaak was net nieuw in het ziekenhuis en hij beloofde dat hij het eens goed zou uitzoeken.
En zo kwam het dat er een gevaar op de loer lag waar Biko en Jabba niets van wisten.
De vergeetman

Biko en Jabba zaten in oma’s achtertuin. Biko was tussen de middag thuis van school en Jabba hoefde pas om halftwee te beginnen aan zijn nachtdienst. Eén keer in de drie weken had hij een ochtendje vrij van zijn werk.
Ze luisterden naar een merel die op een schutting verderop een liedje oefende. Het beestje vergiste zich steeds in zijn vierde riedel en begon dan op-nieuw. Het werd saai.
‘We moeten bloemen hebben,’ zei Jabba.
Biko stond op en liep naar de schutting. Hij zei iets dat nog het meest klonk als het tierelieren van een vogel. De taal die Biko van Jabba had geleerd, heette Tswangi. Het was Afrikaans en klonk als het zingen van vogels. De merel hield zijn snavel, luisterde met een scheef kopje en gaf toen antwoord. Wat hij zei, wist geen mens, maar het klonk veel beter dan zijn liedje van daarnet.
‘Waarom wil je bloemen?’ vroeg Biko aan zijn vader.
‘Voor oma, boef,’ zei Jabba. ‘Denk eens na, welke dag is het vandaag?’
Biko dacht even na. Als oma jarig was, had hij het geweten. Biko was dol op verjaardagen. Hij had vorige week zijn negende nog gevierd. Zou het vandaag grootmoederdag zijn?
Jabba zag dat zijn zoon het antwoord niet wist.
‘We wonen hier alweer twee jaar,’ zei hij. ‘Dat moeten we vieren met bloemen. Vind je niet?’
Biko knikte enthousiast. Was het al zo lang geleden dat ze uit hun garage hierheen waren verhuisd? Als je het fijn had in een huis, vloog de tijd. Biko en Jabba hadden hier allebei een eigen kamer. In de garage was geen plek geweest voor eigen kamers. Een tuin hadden ze daar ook niet gehad.
Biko wilde nooit meer ergens anders wonen dan bij oma. Je kon hier fijn spelen, behalve op de zolder, waar het een beetje griezelig was. Biko had een keer de borden van oma’s oude servies naar de zolder gebracht. Hij had ze snel in een hoekje gezet en was naar beneden gehold. Brr.
‘En ik vraag of Loekie ook komt en dan kopen we taart en…’
‘Ho ho…’ zei Jabba. ‘Dat hebben we vorige week op je verjaardag al gedaan.’
Biko keek naar de schutting waar de merel klaar was met antwoord geven. Zijn vader had gelijk, maar toch vond hij het jammer van de taart.
‘Als er iets te vieren is, hebben grote mensen liever bloemen dan taart,’ zei Jabba.
Biko knikte. Als zijn vader het zei, zou wel zo zijn.
Bloemen nam Jabba meestal mee uit het ziekenhuis. Er werden daar prachtige boeketten weggegooid als de zieken naar huis mochten of als er zoveel bezoek met bloemen kwam, dat er niet genoeg vazen waren.
Je zou in het ziekenhuis een kraampje met tweede-handsbloemen kunnen beginnen.
‘Toen oma nog in het ziekenhuis lag, bracht ik haar altijd overbloemen,’ zei Biko. ‘Maar nu is ze niet meer ziek. We moeten haar dus geen oude bloemen uit het ziekenhuis geven.’
‘Wil jij bloemen kopen?’ vroeg Jabba. ‘Oma is ten-slotte jóúw oma. Jij mag een mooi bos voor haar uitkiezen’ Hij pakte zijn portemonnee en gaf Biko geld. ‘Wat denk je, is dit genoeg?’
Biko had op de Echte School al leren rekenen met geld. Wat Jabba hem gegeven had was net genoeg voor één bloem. Hij zei niets tegen zijn vader. Hij wist dat Jabba maar erg weinig verdiende. Ik verzin wel iets dacht hij.
‘Koop je ze vanmiddag uit school? Je hoeft niet te wachten met geven tot ik thuis ben. Ik moet tot morgenochtend werken, want ik heb vierentwintiguur-dienst,’ zei Jabba.
Biko beloofde het.

Biko en Loekie waren op weg naar huis. Ze hadden een lange middag in een warme klas bij meester Kooi gezeten. Nu gingen ze bij Biko in de achtertuin spelen.
Er rende een man de hoek van de straat om. Een enorme baard wapperde aan zijn kin. Zijn kleren zagen bruin van het vuil. Onder zijn arm had hij een slordig stapeltje papier dat hij stevig tegen zich aan drukte.
De man rende zó hard dat hij Biko en Loekie niet zag. Met een schoen waar de neus kapot van was, trapte hij op Biko’s teen. Hij maakte een wilde beweging om overeind te blijven. Er dwarrelden wat papieren onder zijn arm uit.
Nog voor Biko au! had kunnen zeggen, was hij alweer verderop.
Er klonk geschreeuw en twee vuilnismannen stoven de straat in. ‘Houd de dief!’ riepen ze. ‘Houd de dief!’
Biko en Loekie bleven kijken hoe de vuilnismannen probeerden de dief te houden. Het lukte hen niet. De man met de baard was te snel. Hij verdween ergens in een steegje.
Toen de vuilnismannen terug sjokten, had Biko de papieren opgeraapt. Het waren blaadjes uit een tijdschrift. Het waren strips. Verhalen met Batman erin, zag Biko. Er stond niets op waar je hard van wilde gaan rennen.
De vuilnismannen stonden stil.
‘Hier die blaadjes,’ zei een van hen. ‘Die zijn van ons.’ Hij stak een  hand uit die zo groot was als een koekenpan.
‘Wie was die meneer met die baard?’ vroeg Loekie. ‘Wat had hij gestolen?’
De vuilnismannen keken elkaar aan.
‘Hoe heet hij ook alweer? Laatst wist ik het nog,’ zei de ene. ‘Dat gebeurt me steeds.’   
De andere trok een denkrimpel. ‘Eh… hè, nou ben ik zijn naam ook kwijt. Dinges, heet ie en hij steelt strips uit afvalbakken.’
‘O,’ zei Biko verbaasd. ‘Mag dat niet? In vuilnisbakken liggen toch alleen dingen die niemand meer wil hebben?’
De vuilnismannen keken elkaar aan. Aan  hun gezicht kon je zien dat ze het een erg domme vraag vonden.
‘Wat denk jij nou?’ zei de ene vuilnisman. ‘Wat denk jij nou? Als iedereen maar vuilnisbakken ging leeghalen… denk jij niet dat het dan een enorme bende zou worden?’
En de andere vuilnisman zei: ‘De inhoud van afvalbakken en vuilniszakken is eigendom van de vuilnisdienst. Net als het groot vuil dat langs de stoep staat. Leren jullie dat niet op school?’
Loekie en Biko schudden hun hoofd.
‘Wij zitten al jaren achter eh Dinges aan. Het is een vuile papierdief. Hij moet van onze strips afblijven. Al we hem te pakken krijgen...’ De vuilnismannen maakten vuisten van hun enorme handen. Ze liepen de straat uit. Even later zagen Loekie en Biko ze achterop een vuilniswagen wegrijden.
‘Rare mannen,’ zei Biko. ‘Ze proberen al jaren een dief te vangen en ze kunnen niet eens zijn naam onthouden.’
‘Misschien is het een heel moeilijke naam,’ zei Loekie.
Toen ze bijna thuis waren, trok Biko Loekie aan haar arm. Hij wees.
Aan de overkant stond de man met de baard bij een stapeltje kartonnen dozen. Hij had een krant in zijn handen en las aandachtig. Iets verderop stond een gammele oude fiets die vol hing met tassen waar oud papier uit puilde.

‘Ja natuurlijk!’ zei Biko’s oma toen ze even later over de man met de baard vertelden. ‘Ik heb nog bij hem in de klas gezeten, vroeger. Toen was hij al een raar kind. Altijd maar stripboekjes lezen. Het ene blaadje na het andere. Van die verhalen over superhelden je weet wel. Zo is het begonnen, denk ik. Hij verzamelt al jaren en jaren al het oude papier dat hij te pakken kan krijgen. Niet alleen strips. Ook kranten, boeken, tijdschriften, melkpakken… zo lang er maar iets op te lezen valt.’
‘En krijgen de vuilnismannen hem wel eens te pakken?’ vroeg Loekie.
‘Nee,’ zei oma glimlachend. ‘Nee, hij is ze steeds te snel af. Maar hoe héét hij nou ook weer? Daarnet lag zijn naam nog op het puntje van mijn tong. Hè…’ ze schudde haar hoofd. ‘Ik word oud.’
Het moet een heel bijzondere naam zijn, dacht Biko, nog bijzonderder dan de mijne. Hij begon nieuwsgierig te worden.
‘Ga lekker zitten,’ zei oma. ‘Ik zal jullie een glaasje limonade geven en dan moet ik jou nog iets vertellen, Biko. Het is namelijk twee jaar geleden dat…’
Biko zat net en kwam geschrokken weer overeind. In zijn broekzak rinkelde het geld dat hij van Jabba had gekregen.
De bloemen, dacht hij. Ik had bloemen moeten kopen!
Loekie zag aan zijn gezicht dat er iets was.
‘Ik moet even weg. Zo terug. Kom mee Loek!’ zei Biko. Hij rende de keuken uit met Loekie achter zich aan.
Oma keek hen verbaasd na. 'Ik wilde iets vertellen,' mompelde ze.
 
Vergeetman
zondag 22 januari 2012 11:46
Er komen steeds vaker mailtjes binnen met de vraag wanneer het vervolg op Verdwijnkind  komt.  Het verhaal is allang klaar en na de zomer ligt het boek Vergeetman dan ook eindelijk in de winkel. Op de foto hier onder zie je de vergeetman. Wat een vergeetman nou precies is? Tja. Net zoiets als een verdwijnkind maar dan heel anders... 
 
Omslagfoto Vergeetman
 
De band en de meiden
maandag 14 november 2011 18:17

Inmiddels in de winkel!

 
Boekenbakker
maandag 14 november 2011 18:15

 Carmen Slot is een van de acht winnaars van de Boekenbakkers.nl schrijfwedstrijd. Van haar vervolg op mijn beginnetje Onhandig Geboren heb ik een een zestig pagina lang boek gemaakt. Het schrijven is al klaar maar er moeten nog tekeningen gemaakt worden, het moet worden gedrukt... pas in februari kun je het boek sparen met zegels bij onder andere supermarkt EmTé. 

 

 
De Band en de Meiden
vrijdag 01 juli 2011 12:03
Een fragment uit De Band en de Meiden.(Verschijnt in het najaar 2011 bij Uitgeverij Holland)

.
EN... INTRO

 
Aïda was terug. Ti werd wakker van iets dat hij zich niet herinnerde, een geluid misschien, iemand die ergens de volumeknop van een versterker wijd open en weer dicht draaide. Mu­ziek als een schot in de nacht. Zijn droom, verbazingwekkend scherp, hing even als een projectie voor zijn ogen. Hij hadover vanmiddag gedroomd. Op weg van school naar huis was hij bij het oversteken van een kruising afgeleid door een jonge kat die huppelend achter een flard plastic aan zat. Een afslaande auto moest heftig voor hem remmen. Gierende banden was hij van de herinnering daaraan wakker geworden?Hij zat rechtop in bed, blijkbaar slapend al overeind ge­schoten en hij was op slag helemaal helder. Door het raam met het rolgordijn dat altijd open was, zag hij het gezicht van Aïda. Het was ver­trokken in een woedende glimlach. Koude blauwe ogen priemden vanonder haar sluike zwarte haar.Ze was ouder geworden; Ti wist niet dat dat kon, maar Aïda was duidelijk geen twaalf meer, ze zag eruit als de meisjes in zijn klas. Stel je voor, dacht hij, dat ze nu bij mij in de tweede zat...Zijn schouders begonnen pijn te doen, zo verkrampt zat hij. Hij hoorde de geluiden van het huis; tikkende verwarmingsbuizen, late muziek uit Sara's kamer. Had zij hem gewekt met haar herrie? Hij keek door het raam naar Aïda. Ze was buiten en dat stelde hem een beetje gerust. Twee jaar geleden lag ze onder zijn bed, of stond ze verscholen tussen de kleren in zijn hangkast. Twee jaar geleden zou Ti enorm van haar geschrokken zijn, al wist hij dat hij haar in verborgen donkere hoekjes kon ver­wachten. Ook van wat bekend of voorspelbaar is, kun je de stuipen op het lijf gejaagd krijgen. Nu was hij alleen verbaasd en hij voelde een soort medelijden met haar, want het was oktober en als Aïda ouder kon worden, betekende dat dat ze op de een of andere manier nog leefde en dus de kou van de nacht voelde. Had het een be­tekenis dat ze door glas van hem gescheiden werd? Was hij na twee jaar veilig voor haar? Wind kwam opzetten als een brul van zee, een overwel­digend geruis dat boom­takken liet zwiepen en ratelen en meteen daarna kwam de regen. Toen het watergordijn doorzichtiger werd en Ti buiten weer iets zag, was Aïda weg. Hij gleed terug onder zijn dekbed, rolde met zijn schouders, strekte zijn benen en wiebelde met zijn tenen. Terwijl hij langzaam warm werd, dacht hij aan de kleumende Aïda bui­ten. Wist hij maar waarom ze hem lastig viel met haar starende blik. Ik ben alleen maar eerlijk en aardig tegen haar geweest, dacht hij. Nou ja, misschien in omgekeerde volg­orde en aardiger dan eerlijk. Dat was dan een misser van zijn kant. Waarom ze na al die tijd nu weer voor zijn raam stond, bleef hem een raadsel. Was het vanwege vanmiddag geweest? Kwam ze hem zwijgend vertellen dat een volgende ontmoeting met een auto wel eens raak kon zijn? Hij viel in slaap en hij wist niet wat hij verder nog droomde, maar het ging niet over Aïda. EEN Voordat Ti naar beneden ging om te ontbijten, pakte hij zijn gitaar uit zijn standaard en speelde het stuk dat zijn gitaarleraar Martin hem vori­ge week had opgegeven: de solo uit een jaren '70-nummer van Pink Floyd, Comfortably numb. Martin was een ouwe hippie, blijven steken in de muziek die Bastiaans vader vroeger ook mooi had gevonden. De solo, hoewel prachtig, was niet moeilijk. Je hoefde er geen wereldgitarist voor te zijn. Het geheim school in de timing en het gevoel. Ti's vingers waren soepel genoeg, maar het lukte hem niet om het gevoel in de solo te krijgen. 's Ochtends vroeg was niemand blij als hij zijn versterker aan zette, dus speelde hij onversterkt. Martin vond het jammer dat Ti niet met een akoestische gitaar was begonnen want de trucs om via apparaatjes en kastjes bij een elektrische gitaar je onkunde te verhullen maakte lui, beweerde hij. Martin wist waar hij het over had. In de jaren zeventig speelde hij elektrische gitaar in allerlei bandjes en één ervan, Gemini, had zelfs succes in het buitenland gehad. Het was grappig les te hebben van iemand die ooit popster was. Tegenwoor­dig speelde Martin alleen nog westerngitaar. 'Als de ba­sis er niet is, heb je niets om op te bouwen,' vond hij. 'Je moet ge­woon goed klinken.' Ti's solo deed alles, behalve goed klinken en hij besloot niet alleen nog vaker te oefenen, maar ook bij de muziek­winkel langs te gaan. Zijn gitaar was een driekwart Stratocaster van het merk Stagg. De hals was korter dan die van een normale gitaar en de ruimte tussen de frets was dus kleiner. Met een groter model kon hij mis­schien de tonen beter pakken, omdat er meer ruimte tussen de metalen staafjes op de hals zat. Wie weet was er iets te re­gelen met een tweedehands gitaar en kon hij zijn Stagg inruilen. Zijn vader lief aankijken zou misschien het geld opleveren dat hij dan nog tekort kwam. Toen hij de keuken in liep, keek zijn vader hem goedkeurend aan. Hij dronk koffie in een kenmer­kende houding: leunend tegen het aanrecht. 'Je lesgeld is in elk geval niet weggegooid. Leuk dat je zo veel oefent.' 'Ik denk dat ik een nieuwe gitaar moet hebben,' zei Ti. 'Misschien kan ik mijn Stagg inruilen tegen een tweede­hands grote gitaar.' 'Jongen, dat ding heeft een paar jaar geleden niet veel meer dan honderd euro gekost. Ik denk niet dat het iets waard is.' 'Vragen kan toch?' Ti schonk een glas vol drinkontbijt en klokte het naar binnen. 'Boven­dien sta ik voor lul met zo'n kindergitaar. Daar kan ik echt niet mee optreden.' Zijn vader leegde zijn kopje en zette het onder de es­pressomachine voor zijn volgende shot cafeïne. 'Hebben jullie al een naam voor jullie band? Dat is handig als je wilt optre­den.' 'Dead Indians,' zei Ti, 'of The Outsiders.' 'De Outsiders bestaan al.' De espressomachine bromde. 'De Dead Outsiders dan?' Zijn vader grinnikte. 'Jaag de dooien maar hun kist uit met jullie herrie.' 'Ligt Sara nog te pitten?' 'Lies en Marija ook. Ze hebben allemaal het eerste uur vrij, geloof ik. Moet jij geld mee voor tussen de mid­dag?' Ti schudde zijn hoofd. 'Ik ga met JP mee naar huis. Repeteren in hun garage.' 'Helemaal goed. Ik vind het leuk dat jullie het zo serieus aanpakken. Zou ik ook wel gewild hebben toen ik zo oud was als jij. Maar ik ben destijds niet eens op het idee gekomen dat je zelf een bandje kon oprichten.' Ti grijnsde. Ze vertrokken samen. Vorig jaar rond deze tijd was Ti net een beetje gewend aan de chaos op school, aan de menigte die elke dag zijn weg zocht naar lokalen, de kantine, de aula. De bovenbouw-leerlingen maakten toen flink indruk op hem. Inmiddels was hij hier thuis. Het viel hem niet meer op als er naar hem gekeken werd. Een jaar terug was dat wel anders geweest. Meiden uit de derde of vierde, tieten en al, snuffelden aan hem zoals je dat wel eens ziet bij een klein hondje en een heel grote. Ze bekijken elkaar terwijl ze allebei niet weten waarom; om­dat ze hond zijn. Die meiden-aandacht was de eerste tijd behoorlijk verve­lend geweest, vooral omdat de jongens uit de hogere klassen er helemaal niet blij mee waren. Dog eat dog en Ti had zich afgevraagd of zo'n jongen zich misschien wilde bewijzen door hem een beetje heen en weer te meppen. Gelukkig was dat nooit ge­beurd, al waren er wel groepjes uit hogere klassen die hem op weg naar school pestten. Inmiddels was dat voorbij, Ti was geen nieuwtje meer. Omdat hij van Aïda had gedroomd – het moest een droom zijn geweest - dacht hij aan de basisschool, twee jaar geleden. Ze hadden het op het plein wel eens gehad over later als ze groot waren en Aïda bleek een heel scenario klaar te hebben: samen naar de middelbare, samen studeren en daarna samen- alles samen voor altijd. Hij zag haar weer voor zich met die blik die zei: jij bent van mij. Gek hoe mensen veranderden als ze verkering kregen. Het was natuurlijk lief bedoeld allemaal, maar zo serieus, zo grote mensenachtig... Hoe had zijn vader dat ook alweer genoemd? Claimerig. Het leuke was er snel af gegaan. Ti was blij dat ze niet meer samen op school zaten. Intussen had hij zijn jas opgehangen en z'n spullen weggebor­gen en wachtte hij op Arthur en JP. Ze kwamen op het laatste moment. Ti zat al in het klaslokaal en er waren in zijn buurt geen tafeltjes meer vrij. Voor overleg over de band hadden ze toch geen tijd want me­neer Buwalda, de leraar Nederlands, was zo'n docent die eiste dat je bij de les was. Het ging dit keer over Aristoteles, de Griekse filosoof. 'Dames en heren - ook u mevrouw Ilse De Veth- ik weet dat de sectie taal het er niet mee eens is, maar ik ga misbruik maken van het feit dat ik een gymnasiumklas voor mijn neus heb. Jullie hoeven Aristoteles nog niet te kunnen lezen...' 'Kunnen we wel,' zei Youri, 'maar niet in het Latijn.' 'Grieks, lolbroek,' antwoordde Buwalda. 'En ik verwacht ook niet dat jullie alles snappen wat hij beweert. Jullie gaan Aristoteles in de toekomst nog wel tegenkomen, misschien niet altijd tot je vreugde, want het is taaie kost. Maar hij heeft een aantal dingen gezegd over de kunst van het vertellen die de spijker op de kop slaan. Romans en toneel, maar net zo goed films en tv-series, zijn gebaseerd op de regels van Aristoteles. En je zult zien, als een schrijver van die regels afwijkt, rammelt het verhaal. Hoef je niet eens voor doorgeleerd te hebben, je voelt dat het niet klopt wat je leest of ziet.' Hij nam een stapel blaadjes van zijn bureau en liet die doorgeven. 'Aristoteles heeft er een heel boek aan gewijd, de Poëtica. Om het wat makkelijker te maken, geef ik jullie een uittreksel. En het huiswerk zal jullie meevallen. Ik verwacht van een kijkverslag van een soap naar keuze.' Sommige meisjes in de klas keken elkaar enthousiast aan, een paar jongens lachten smalend. 'Vergelijkend onderzoek dames en heren!' zei Buwalda met stemverheffing. 'De opdracht is: toets die soap op de regels van Aristoteles.' Toen iedereen het uittreksel had gekregen, ging Buwalda bij het bord staan en zei: 'Het eerste wat we gaan behandelen is de protagonist. Youri, fijne bijdehand, weet jij wat dat is?' Youri schudde zwijgend zijn hoofd. 'De hoofdpersoon?' vroeg Ti twijfelend. 'Dankjewel. En wie staat er tegenover de hoofdpersoon?' 'De tegenspeler,' zei Youri die zijn verlies niet accepteerde. 'Bijna goed. Tegenover de pro van protagonist staat de..?' 'Antitagonist?' In de pauze na het derde uur was er de bekende chaos van mensen in de kantine. Ti had nog geen woord met Arthur en JP gewisseld en nu probeerden ze een rustig plekje te vinden om even te praten. In de middagpauze was er plaats zat in de kantine, omdat veel bovenbouwers dan de stad in gingen. Nu konden ze elkaar nauwelijks verstaan. Arthur stootte Ti aan en knikte naar de overkant van de zaal. Aan een tafeltje zaten twee meisjes uit een parallelklas. Ti keek Arthur vragend aan. 'Geen gezicht!' riep die bij zijn oor. 'Wat niet?' Het meisje aan het hoofd van de tafel zat met haar rug naar hem toe. Het was Carly, het mooiste meisje van de klas. Lang blond haar, ogen die je alleen met 'jungle' kon omschrijven en – nou ja, het type stuk dat je best in een MTV-clip zou kunnen tegenkomen. 'Die vriendin!' Arthur pakte hem beet, trok hem een beetje opzij en draaide hem een kwartslag. Nu zag Ti wat Arthur zag: Carly deelde haar snack met een roodharig meisje. Het was een grappig gezicht hoe ze haar zorgvuldig afgebroken stukjes toeschoof. Hij kende het meisje niet; misschien was ze nieuw, misschien was ze hem niet eerder opgevallen, wat raar was, want hij keek naar haar en blééf kijken. Arthur moest zijn naam al een paar keer genoemd hebben voordat hij het hoorde. 'Uitgekeken? Belachelijk hè? Dat doet ze alleen om zelf mooier te lijken,' zei hij misprijzend. 'Alsof ze dat nodig heeft.' 'Wat?' vroeg Ti, nog niet helemaal terug op aarde. 'Tjonge, moet jij een brilletje? Kijk nou toch: Carly... die zo'n hobbezak als vriendin heeft. Kun je nog beter zien hoe mooi ze zelf is.' De bel ging voordat Ti begreep wat Arthur bedoelde. Onder de les aardrijkskunde dacht hij na over Arthurs woorden. Hobbezak? Het meisje was geen hobbezak. Verre van dat. Haar zou je niet in een clip zien, maar ach, de meeste mensen kwamen niet in clips. Die zag je alleen voorbijlopen door de stad, of zitten in een drukke bus, of in de bioscoop of waar dan ook. Wat nou brilletje, dacht hij. Ik zie geen vrachtwagen over het hoofd als ik een kruising oversteek. Nou ja wel een personenauto... In de garage van JP stonden een keyboard en een oude basgitaar. Ti moest zijn eigen gitaar van huis meenemen, wat hij altijd weer eng vond. Gelukkig mocht hij hem op school bij de conciërge stallen. Ze probeerden die middag een melodietje dat JP had bedacht. Hij had nog geen tekst. Ti, die bijna als vanzelfsprekend zanger van de band was; hij speelde tenslotte leadgitaar, la-la-la'de wat en ze waren het er al snel over eens dat er eerst een tekst moest komen voordat ze het liedje konden af maken. 'Tekst mag jij maken,' zei JP tegen Ti. 'Jij bent de zanger en jij kunt je vader om hulp vragen.' Ti grijnsde. Zijn vader beweerde dat hij vroeger liedjes schreef die bijna hits waren geworden. Het waren van die verhalen waarvan je dacht: het zal wel. Ze overlegden uitgebreid over hoe hun band moest gaan heten. Dead Indians en Dead Outsiders werd meteen weggestemd maar op iets beters kwamen ze niet. Ze klonken goed vandaag, ze raakten steeds meer op elkaar ingespeeld, maar de drums in JP's keyboard waren een ramp als altijd. Een drummer zoeken stond hoger op het lijstje dan ooit, dat waren ze aan het eind van de repetitie met elkaar eens. Te zijner tijd moest er ook nog een echte zanger komen, dan kon Ti zich helemaal op zijn gitaar concentreren maar voorlopig was hij goed genoeg als zanger. Een drummer was wat ze echt misten… Op school zag Ti Carly en het roodharige meisje niet meer. 
 
Nieuw boek in het najaar
maandag 23 mei 2011 11:33

 

 


Pagina 1 van 5