|
Het eiland lag noordelijk van het vasteland. De zee was er vol stromingen, muien en wandelende zandbanken. De enige stad die het eiland bezat, was gebouwd op de top van een hoog duin, uitkijkend naar de onmetelijke zee. Dikke muren van zwart basalt beschermden de bewoners tegen vijandelijke schepen die uit het noorden konden komen. Het hoge duin zorgde dat het water ver weg bleef van de dikke muren. Het verraderlijke water dat het duinzand meenam, dat steels aan de voet van het duin vrat en met storm weer als een enorme grijze tong uit een reusachtige mond omhoog schoot en de helling weglikte. Na iedere storm haalden de bewoners van de stad aan de andere kant van het eiland nieuw zand, ze lieten meer basalt komen om de stad te beschermen maar steeds won het water het van hun werk. De stad met zijn sterke zwarte muren, zijn dreigende torens en machtige poorten, was niet tegen het water opgewassen. Vroeger of later zou hij in de muil van de zee worden opgeslokt. ‘Wat zal er gebeuren bij een springvloed en een orkaan?’ vroegen de burgemeester en zijn raadsheren elkaar. ‘De stad zal als een blokkentoren in de zee storten,’ zeiden ze. En: ‘Waar moeten we heen als de zee over de duinen spoelt en ons eiland laat verdrinken?’ Ze bedachten dat er een schip moest komen, niet zomaar een reddingsboot, maar een echt schip om alle bewoners van de stad veilig naar het vasteland te kunnen varen als de maan ooit vol zou zijn bij hoog water en windkracht 13. Het plan was nog niet geboren, of het water liet zien dat het machtiger was dan een vijand met een oorlogsvloot. Er waren geen kanonnen nodig om de stadsmuur te laten verzakken. Het kostte de wind en de stroming maar één nacht. Muren, torens en poorten veranderden in wat ze ooit geweest waren: brokken steen. Na die stormnacht bedachten de burgemeester en zijn raadsheren hun besluit en de hele stad was het ermee eens: er moest onmiddellijk gebouwd worden. Eerst groeven ze een kanaal naar het midden van het eiland. Ze maakten een dok waar het schip in gebouwd zou worden, een diep langwerpig meer met stenen kades en houten vlonders. Hoe groot moest het schip worden? Hoe lang konden ze er aan bouwen? Niemand wist het precies, maar haast was geboden want nog éen orkaan en de stad zou onder water verdwijnen. Ze lieten bomen komen van het vaste land. Ze smeedden nagels, klemmen en klampen. De gereedschapsmakers maakten gereedschap. Toen begonnen ze te bouwen. De bodem van het schip werd plat, zodat het niet zou vastlopen op de zandbanken. Het duurde vijf jaar voordat de hele scheepsbodem klaar was. Met kabels zo dik als een boomstam en ankers groter dan een woonhuis, lag het schip in zijn dok. In de stad hadden de mensen hun noodpakketten al klaar. Kleren, voedsel, geld en hun kostbaarste bezittingen stonden voor het grijpen. Bij iedere volle maan was er kans op een stormvloed die de stad van de kaart zou vegen en het eiland kon veranderen in een zandplaat. Die storm kwam gelukkig niet. De scheepswanden werden gebouwd en het schip zag eruit als een reusachtige badkuip. Iedereen die een hamer kon vasthouden, een zaag of een schaaf, werkte inmiddels aan het schip. Hoger werd de scheepswand, hoger, tot alleen de mannen en vrouwen zonder hoogtevrees er nog aan durfden te werken. Vaders namen hun kinderen mee en zeiden: ‘Later als jij groot bent, kun je ook aan het schip timmeren. Misschien is het dek dan al klaar en kunnen jullie de kajuiten bouwen.’ De kinderen keken ademloos naar het reusachtige schip. 'Mooi,' zuchtten ze, 'prachtig.' En de vaders knikten. 'Ja iets mooiers dan ons schip is er op de wereld niet te vinden.' Lentes kwamen, zomers gingen voorbij, herfsten verstreken en winters vielen in. Het stormde vaak, maar de stormvloed bleef uit. De vaders werden grootvaders, de kinderen werkten aan het schip, precies zoals het hen beloofd was. Zij namen op hun beurt hun kinderen mee en zeiden: ‘Kijk, hoe schitterend ons schip is? Jullie opa heeft nog aan de bodem gebouwd.’ Ook deze kinderen waren diep onder de indruk van het wereldwonder en droomden dat ze met het schip de wereldzeeën bevoeren. In het stadhuis waren de ontwerpers al bezig met hoe het schip eruit zou zien zodra het dek klaar was. Het was een uur lopen van de voorplecht naar de achterplecht, hadden ze uitgerekend. Het schip zou met gemak aan iedereen in de stad een plek bieden. En het vee? Kunnen de dieren mee? We kunnen de beesten niet laten verdrinken als de golf komt.’ ‘De dieren gaan naar het middenruim. Daar maken we de stallen.’ ‘En de huisraad? De kostbaarheden?’ ‘In het onderste ruim is plek voor alles.’ In de herfst en het voorjaar kwamen de stormen. Water sloeg over de kades van het kanaal. Het schip deinde in de wind maar kwam niet van zijn plek. De touwen waren dik genoeg, de ankers waren zwaar genoeg en de springvloed met windkracht 13 bleef uit. De koffers en tassen voor noodgevallen werden nog ieder jaar bij het nieuwe seizoen doorgekeken, maar ze waren nooit nodig. Aan de stadsmuren werd geen aandacht meer besteed. De machtige poorten waren inmiddels gapende gaten, de torens stonden scheef. Hun spitsen waren allang ingestort. Uit het noorden kwamen al zo lang geen oorlogsvloten meer dat ze wel nooit meer zouden komen, dus waarom nog werk steken in de stadsmuren? Het schip, het schip moest gebouwd worden. ‘Mijn opa bouwde nog aan de scheepswanden,’ zeiden oude mannen en vrouwen tegen hun kleinkinderen. ‘Heel lang geleden toen het schip niet meer dan een bodem was. Kun je je dat voorstellen?’ Het schip was zo prachtig, zo majestueus, de kinderen konden nauwelijks geloven dat het door mensen gebouwd was. Een godswonder, leek het schip, geschapen door bovenmenselijke handen. Ze luisterden naar de verhalen over de tijd vóór het schip alsof ze sprookjes hoorden. Ze vierden vier keer per jaar Pakdag. Op de ochtend van Pakdag kregen de kinderen nieuwe kleren. Ze deden hun lievelingsspulletjes in een tas en gingen er de huizen mee langs, lieten hun tassen zien en kregen snoepgoed. ’k Moet varen, ‘k moet varen. Ik moet mijn snoep bewaren. ’k Moet varen op de wilde zee, ik neem mijn snoepjes mee’ zongen ze. En het bouwen ging door. De planken voor het dek moesten uit een ver land komen waar bomen groeiden met stammen die meters in doorsnee waren. Bij de stad verrees een houtzagerij die groter was dan de kathedraal. Enorme zagen ploegden door de stammen, maakten planken die boven de stadsmuren uitstaken als ze rechtop werden gezet. Op de tekentafels was te zien hoe de opbouw van het schip zou worden. Voor de burgemeester en de raadsheren was er al de grote kajuit, van buiten een kopie ban het raadhuis in de stad, van binnen prachtig versierd met houtsnijwerk. Door het enorme ronde raam keek je naar het vasteland. Niet alleen naar de dijken en de duinen, maar nog veel verder, want de kajuit lag hoger dan de torenpunt van de meeste kathedraals. En wij dan?’ vroegen de rijke burgers van de stad. ‘Wij zijn geen burgemeesters, maar belangrijk zijn we wel. Wij willen onze eigen kajuiten op het schip.’ Ze kregen hun zin, zoals geld altijd zijn zin krijgt. Ze kochten een stukje van het dek langs de reling en daar werden hun kajuiten gebouwd. De echt rijken lieten hun stadshuis in het klein nabouwen. De minder rijken hielden hun kajuiten eenvoudiger. De andere bewoners van de stad konden geen eigen kajuit op het schip laten bouwen, zij huurden er een van het stadsbestuur. Ieder seizoen waren er stormen, maar nooit werkten de wind en de zee zo slinks samen dat er een springvloed kwam. Water sloeg over de stadsmuur maar verzwolg de stad niet, de zee stormde door het kanaal naar het hart van het eiland maar kreeg het schip niet van zijn plaats. Eén keer, op een ijzige herfstavond, toen loodzware donderwolken op een jagende wind boven de stad dreven, toen de zee zijn begerige golven naar de kust van het eiland joeg en het schuim halverwege de toren van de kathedraal werd geblazen, vluchtten de bewoners in paniek naar het schip. In hun haast vergaten ze hun tassen met noodvoorraden, ze lieten hun honden in de schuur, hun vee op stal. De storm duurde drie dagen. Toen ze op de vierde dag naar de stad teruggingen, vonden ze verdronken dieren, half ondergelopen huizen met vernield huisraad. De laatste stukken van de grote basalten stadsmuur lagen als vreemde vissen in de nu weer kalme branding. Het was een goede waarschuwing geweest, een goede leer voor een volgende keer. De rijken die hun kajuiten wel prachtig hadden ingericht, maar er nooit lang bleven, verhuisden naar het schip. De armen, die in de kieren en gaten tussen de kajuiten hadden geschuild, richtten schuilplaatsen in. Het vee van de stad stond steeds vaker in de stallen op de tussendekken en alle bezittingen die niet direct nodig waren, werden in het onderste ruim opgeslagen. Ook de minder rijke stedelingen waren steeds vaker aan boord te vinden. Het hoefde maar te regenen, de wind hoefde maar een stevige bries te worden of ieder een haastte zich aan boord. De stad raakte langzaam maar zeker verlaten. De rijken bleven voor de zekerheid voorgoed aan boord wonen. Ze genoten van het uitzicht, kwamen bij elkaar in de grote kajuit van de burgemeesters en lachten om die arme mensen op het vasteland die niet verder konden zien dan de muren om hun stad. De minder rijken, de houtzagers, de nagelklinkers en de touwmakers, bleven werken in de stad maar gingen ‘s avonds naar het schip. Alleen in de werkplaatsen en winkels van de stad waren nog mensen te vinden. ‘s Avonds, als de scheepslichten brandden, zeiden de moeders tegen hun kinderen: ‘Kijk, daar, zie je de stad? Daar woonden we vroeger, maar dat is lang geleden hoor. Dat is heel lang geleden.’ De kinderen keken naar de donkere huizen met hun blinde ramen en dichte deuren, de verlaten straten en de lege pleinen. Ze griezelden en verzonnen spookverhalen. ‘Waren jullie niet bang?’ vroegen ze. De moeders glimlachten en vertelden dat vroeger, toen zij zelf kind waren, de stad verlicht was en dat er zo veel mensen woonden dat er voor spoken geen plaats was. Was het schip af, toen de laatste bewoners van de stad voorgoed in zijn kajuit ging wonen? Wie zal het zeggen. Wanneer is een stad klaar? Het grote bouwen was gedaan maar nog iedere dag werd er veranderd, verbeterd, uitgebreid en ingekrompen. De burgemeesters lieten zich kapitein, stuurman en bootsmeester noemen. In hun grote kajuit bestudeerden ze zeekaarten en weerkaarten. Ze waren blij dat hun schip zo sterk was en zo onwrikbaar stevig aan zijn kabels lag, want van varen wisten ze minder dan van vergaderen en besturen. De storm, die ene, die grote, zoals er maar eens per eeuw een komt, was al van verre zichtbaar. De zon ging die ochtend niet op, de grijze zee was zo diepgroen dat hij licht leek te geven. De wind lag stil als een roofspin te wachten op het moment van aanvallen. Zo stil, zo dreigend, zo donker was het, dat op het schip de luiken voor de ramen werden geschroefd en het huisraad werd vastgezet. Het vee werd vastgebonden, kippen en ganzen in hokken gejaagd. Om tien uur op die donkere ochtend liet de wind een angstaanjagende brul horen en dook op het eiland. Van het ene op het andere moment was de wereld verdwenen. Alles was wind en zee. Enorme golven, scherp als duivelsklauwen grepen het schip, schudden het, overspoelden het, wilden het van zijn boomdikke kabels rukken. De zee probeerde het schip te verzwelgen. Maar de scheepsromp was sterker dan het water. De kabels waren sterker dan de wind. Daken werden van kajuiten geblazen, stukken reling verdwenen in het niets, maar het schip brak niet los en de romp bleef boven water. ‘Het schip moet los!’ schreeuwden de kapiteins in hun grote kajuit tegen elkaar. ‘We moeten ons in veiligheid brengen.’ Maar wie moest het schip varen als het eenmaal los was? Wie wist hoe je een schip in een orkaan moest besturen? Dus besloten ze niets en deden ze niets, behalve vertrouwen op de kracht van het schip. Wat aan boord los zat werd weggerukt, wat te ver uit stak werd afgebroken, omver gesleurd, verpulverd. De wind joeg zelfs waterdruppels door het dikste en hard ste hout, maar het schip zonk niet, het voer niet stuurloos weg naar de rand van de zee. Het bleef. Toen het twee dagen later eindelijk licht werd, keek de zon neer op een scheepsdek waar wrakken van huizen stonden, zonder daken, sommige met maar drie muren. Het zout van de zee had zo diep gebeten dat alles grijs was. De bewoners van het schip hadden zich in veiligheid gebracht op de tussenruimen bij het vee. Er was haast niemand over boord gewaaid, maar bijna iedereen was dakloos. De kabels hadden het schip maar op het nippertje vast weten te houden. Van sommige kabels was niet meer dan een paar strengen over. Een nieuwe storm zou het einde van het schip betekenen. Het zou als een prop papier worden weggeblazen. Het kanaal was een diepe rafelige inham geworden, het dok was als een binnenzee met zandheuvels die er vóór de storm niet gelegen hadden. De wind had het eiland ingericht met nieuwe hoge duinen, met zanderige vlaktes en modderige dalen. Het was alsof het schip een onbekend eiland gevonden had, een onbewoond nieuw land. Op het kaalgeslagen dek vergaderden de kapiteins met de schepelingen. ‘Waar moeten we heen als de zee ons schip stukslaat?’ vroegen de schepelingen hun kapiteins. ‘We zijn hier niet veilig. Het schip is stuurloos, onze kajuiten zijn kapot, we moeten tussen het vee wonen. Waar zullen we onze koeien laten grazen? Waar kunnen we huizen bouwen die droog staan als het water komt en die niet in wrakhout veranderen als de wind opsteekt? De kapiteins hadden geen antwoord op al die vragen. Maar toen de schepelingen van boord gingen, vonden ze in de duinen en aan het strand grote blokken basalt. De wind en het water waren niet sterk genoeg geweest om die enorme stenen mee te nemen. ‘Laten we de steenblokken verzamelen,’ zeiden de schepelingen tegen elkaar. ‘Laten we ze naar een hoog duin brengen en er een muur van maken. Achter die muur kunnen we huizen bouwen. De steenblokken die sterker zijn dan de storm zullen ons beschermen. Zelfs als er een oorlogsvloot uit het noorden komt, hoeven we niet meer bang te zijn.’ En zo begonnen ze te bouwen op het hoogste duin. Het moest een stad worden met sterke zwarte muren, dreigende torens en machtige poorten. |